Dolende Deelgenoot #10: de arbeidsmigrant

Dolende Deelgenoot #10: de arbeidsmigrant

Het was eind januari 1986. We verzamelden achter het centraal station van Utrecht, aan de Jaarbeurszijde. De plek waar tussen de touringcars voor ski-fanaten met een wat kleinere portemonnee ook een bus klaar stond om 40 jonge Nederlanders richting Davos in Zwitserland te vervoeren. Een groep mensen die er niet even lekker tussenuit braken om te genieten van de piste en après-ski, maar een bus vol jonge avonturiers die vanwege de hoge jeugdwerkeloosheid gingen werken in het buitenland. Mijn extra motivatie was dat ik ben opgegroeid in een gezin waar geen budget was om op vakantie te gaan en als puber had ik mij voorgenomen dat als ik later groot was ik de hele wereld wilde zien. Mijn reis begon hier.

Ruim honderd jonge leeftijdgenoten waaronder ondergetekende waren al maanden onderdeel van een wervingscampagne om in Zwitserland te gaan werken. We hadden brieven gestuurd, er waren intake-gesprekken geweest, we werden getoetst op werkervaring, kennis en motivatie. En nu was het moment daar dat ik met 39 overgebleven kandidaten in de bus stapte om een jaar lang in de Zwitserse horeca te gaan werken. Het avontuur zou beginnen na een lange busrit met een interne opleiding van 3 weken in Klosters een klein plaatsje in de Zwitserse Alpen vlakbij Davos. Na deze interne opleiding was het de bedoeling dat je een jaar lang voor horeca ondernemers verspreidt over het heel Zwitserland gingen werken. De nieuwe werkgever droeg zorg voor de kosten en inwoning, en na het aftrekken van de kosten hiervoor was er ook nog een klein inkomen.

De Zwitserse horeca kampte in die tijd met een groot overschot aan werk, werk dat niet werd ingevuld door jonge Zwitsers zelf. Wat wereldwijd een gegeven is waardoor arbeidsmigratie op gang komt. De Zwitserse horeca werd vertegenwoordigd door het Schweitzer Wirteverband en het Hotelierverein, die tegenwoordig samen Gastro-Suisse heten, samen bedachten ze een manier om arbeid uit de omringende Europese landen te werven met de mogelijkheid ze na een jaar weer naar huis te kunnen sturen. Je kreeg dan in je paspoort de status ‘Kurzaufenthalter’, wat betekende dat je een jaar in het land mocht werken mits je werkzaam was bij een werkgever die garant voor je stond. Na dit jaar mocht je een periode van 3 maanden niet werken binnen de grenzen, daarna kon je weer terugkomen onder dezelfde voorwaarden. De regeling was zo bedacht om te voorkomen dat mensen zonder werk zouden blijven hangen. Als je drie maanden niet kan werken en je moet toch ergens verblijven en eten dan was Zwitserland niet de beste plek om te overwinteren. Door de hoge huren en de hoge prijzen voor eigenlijk alles, zeker in verhouding met de rest van Europa.

De busreis naar Zwitserland deed mij nog wel denken aan een vakantietrip. Het landschap veranderde van lage vlakke landen naar heuvelachtige landschap en eindigde met weggetjes langs de bergwand met haarspeld bochten en de buschauffeur vermaakte ons met leuke muziek en hij bleek ook jarig te zijn op deze trip. Eenmaal aangekomen bij het opleidingscentrum in Kloster, met meters sneeuw, skiliften en sleetochten, ging het vakantiegevoel langzaam over in de realiteit van de opleiding en werd me langzaam duidelijk dat we hier niet waren voor de lol. De gedachte achter het opleidingscentrum was uniek in de eenvoud. Er was een slaapgedeelte, een ontspanningsruimte, een restaurant en een keuken. Er waren 2 docenten en een aantal beheerders. We werden iedere dag ingedeeld in rollen tijdens de maaltijden: je was de horecamedewerker of je was restaurantbezoeker. Tussen de maaltijden door zaten we klassikaal te blokken op dranken kennis, voedingsleer en serveertechnieken. We leerden uitserveren, fileren, blancheren, trancheren en poleren. Ik kwam erachter dat Zwitsers voorkeur hebben voor hun eigen wijn. We leerden alles over de verschillende kantons, de Zwitserse provincies, en de lokale kazen, druiven en de wijnhuizen. Soms komt er in mijn gedachte nog een Blauburgunder druif uit deze kennis bovendrijven als ik een kaasfondue eet met Gruyere kaas.

We werden in 3 weken tijd klaargestoomd om voor onze toekomstige werkgevers te gaan presteren zodat we hun investeringen konden terugverdienen. We zaten allemaal in hetzelfde schuitje met af een toe een moment van heimwee, daar hielpen we elkaar doorheen. We werden een gemeenschap met, net zoals in de rest van de samenleving een groepsdynamiek. Er waren de beste jongetjes en meisjes van de klas, de middelmatige presteerder en degene die de kantjes ervan af liepen. Ik was als een vis in het water in deze gemeenschap, en had verbinding met alle mede-avonturiers door spelletjes- en disco-avonden en sleetochten te organiseren. We werden steeds hechter als groep en na 3 intensieve en leerzame weken en toen was het alweer tijd om afscheid te nemen. We spraken af elkaar op te zoeken en prikten een centrale ontmoetingsplek The Pub in het centrum van Zurich, naast het centraal station.

We waaierden uit over heel Zwitserland. We gingen kennismaken met onze werkgevers en collega’s voor het komende jaar. Overgeleverd aan de situatie, cultuur en sfeer ter plekke. De meeste van ons kwamen op een leerzame plek terecht, ver weg van vrienden of familie, met als social media pen, papier en een postzegel. In geval van groot gemis of andere urgente zaken kon je natuurlijk ook telefoneren maar dat was nog erg duur internationaal in die tijd. Je was dus op jezelf aangewezen en voor een groot deel afhankelijk van de werkgever,  je leidinggevende of chef en de collega’s waarmee je een jaar aan de slag ging. In de gereserveerde Zwitsere cultuur duurt het lang om vriendschappen te ontwikkelen. Een cultuur waarin je een ritueel had om de ander met ‘je of jij’ te mogen aanspreken: ‘du-tisch machen’. Die afstandelijkheid vond ik wel moeilijk en daarom sloot ik mijn eerste vriendschappen met andere arbeidsmigranten binnen het bedrijf en in de stad.

Ik kwam te werken voor Herr Bechtold een wat oudere serieuze horecaondernemer met meerdere bedrijven in Zurich. Ik woonde op de plek waar hij een lunch-restaurant had aan de Langstrasse en ik werkte op een andere locatie in de buitenwijk Seebach; restaurant/bar/dancing ‘Le Snob’. Dit was een grote locatie met barruimte en een restaurantruimte en vanaf donderdag tot zondag werd het restaurant in de avonden omgebouwd naar disco en waren we open tot 02:00 uur. Herr Bechtold was een fijne baas en hij werkte zelf op deze locatie op maandagen, dan was het meestal rustig en konden we ook bijpraten. De bedrijfsleider die de rest van de week op deze locatie de scepter zwaaide was vooral bezig om zijn eigen alcoholverslaving in stand te houden. Hij was blij met mij, zag dat ik veel ervaring had en zelfstandig werkte. Dus al snel runde ik het restaurant en de disco zodat hij zijn tijd in de bar door te brengen. Ik vond die zelfstandigheid wel fijn en het daagde mij uit om er het beste van te maken. 

Een obstakel tijdens de eerste 3 maanden was wel dat alle bezoekers uit de wijk kwamen en Schwyzerdütsch spraken. Vooral de stamgasten beleefden er veel lol aan om mij in dit dialect aan te spreken en mij te laten zwemmen. Schwytzerdütsch is een zwaar dialect dat bij iemand als ik, die alleen Hoogduits spreekt, een totaal nieuwe taal overkomt. Maar langzaam begreep ik steeds meer en na 3 maanden kon ik het verstaan en liet ik me niet meer in de maling nemen. Het woon-werkverkeer was wel een uitdaging omdat ik tot in de nacht werkte kon ik geen gebruik maken van het openbaar vervoer. In overleg met mijn baas kocht ik een brommertje op afbetaling. Ik had een fiets gekregen maar na een dag van 12 tot 14 uur werken waren de ‘bergje op’ stukken net iets te veel. Elke dinsdag en woensdag was ik vrij en kon mijn avontuur en rondreis door Zwitserland beginnen ik kocht een Zwitserse railkaart waarmee je voor 100 Zwitserse franken een jaar lang 50% korting kreeg op je trein- en bootreizen. Op mijn vrije dagen zat ik meestal in de trein en ging ik samen met collega’s en studiegenoten uit de opleiding het hele land verkennen en studiegenoten bezoeken.

Voor mij was het een avontuur dat naar meer smaakte. Van studiegenoten en andere arbeidsmigranten hoorde ik ook verhalen over werkplekken waar je puur gezien werd als bio-robot, er was geen aandacht voor jou als persoon. Een vriendin vertelde me dat haar werkgever erg opdringerig kon worden en dat ze voor de zekerheid haar kamerdeur liever op slot hield. Een andere vriend werkte in een team in een hotel waar heel veel rivaliteit onderling was, hij werd vaak buitengesloten en genegeerd. Ik kwam er ook achter dat mijn collega Richard ander behandeld werd dan ik. Hij kwam uit Ghana en maakte de locaties van Herr Bechtold schoon. Hij was ook mijn buurman aan de Langstrasse. Hij werkte meer uren dan ik en zijn kamer en inkomen was kleiner als dat van mij. En Richard was er niet voor het avontuur, hij was op zoek naar een beter leven. Hij vertelde me dat hij helemaal niet terug naar zijn land wilde en na een contract en dus een jaar rondzwierf in Europa om na 3 maanden weer opnieuw te kunnen gaan werken voor een jaar. Door het rondzwerven kon hij niets opbouwen maar hij wilde ook niet terug naar Ghana omdat hij bang was om daar als ‘mislukkeling’ gezien te worden.

We waren hier allebei om een andere reden, we waren allebei arbeidsmigranten maar vanuit een andere motivatie. Ik op avontuur en hij op zoek naar een beter leven en een plek om opnieuw te beginnen. Onze enige overeenkomst was muziek en dansen dus we gingen regelmatig op woensdagavond dansen in de disco boven de Rheinfelder Bierhalle, in het oude centrum. Na mijn jaar in Zwitserland hebben we geen contact gehouden en in mijn fantasie heeft hij alles gevonden wat hij zocht. Mijn avontuur ging na dat jaar in Zwitserland door in London en later ook nog op een cruiseschip over de zeven zeeën.

Ik was dus ooit een arbeidsmigrant en ik weet hoe het voelt als je er niet volledig bijhoort, en toch heb ik geen idee hoe dat is voor iemand die door zijn uiterlijk, kleur of spraak als arbeidsmigrant gezien wordt. Ik heb vaak plaatsvervangende schaamte over hoe wij in het rijke westen om gaan met arbeidsmigranten en over hen spreken. Dat je het land waar je werkt niet als thuis mag zien en het land waar je thuishoort geen perspectief te bieden heeft. Arbeidsmigratie is iets van alle tijden, als mens zoek je naar een comfortabel leven. Zoals ik en Richard dat deden in 1986. We verlangen allemaal naar welzijn, zingeving en verbinding, daarin zijn we gelijk. Dat verlangen kent geen  grenzen. De verdeling van de opbrengsten door de neoliberalistische marktwerking is niet eerlijk en duidelijk. Van mij mogen we daar meer gelijkheid in betrachten en ons vaker af te vragen wat genoeg is? En hoe zou een economie en samenleving er uit ziet die uitgaat van vrij, gelijk en samen? Zijn we in staat om in ieder ander een medemens te zien die zoekt naar een zinvol bestaan in dienst van het geheel? Of zijn we enkel bio-robots die de economie draaiende moeten houden? 

Ik zelf heb gekozen voor een mens- en aardewaardige samenleving. 

Samenlevenskunst draait bij mij om mijzelf en de ander te zien, te horen en te waarderen. Door een ander niet aan te doen wat ik niet wil dat het mij overkomt. Om vrij, gelijk en samen te kunnen leven is het voor mij zaak om mezelf te blijven spiegelen aan de ander en te blijven oefenen in het samenleven.

Pieter Hessel

samenlevenskunstenaar

Scroll naar boven
Bekijk hier je winkelwagen
0
Add Coupon Code
Subtotal